Het Kunstendecreet is het voorlopig eindpunt van een proces dat na de Tweede Wereldoorlog begon. In Courant 70 (nov.-dec. 2004) gaven we een overzicht van de belangrijkste ijkpunten in het naoorlogse podiumbeleid in België en Vlaanderen.
19 september 1945: Regentsbesluit
Bij Regentsbesluit werd in 1945 het 'Nationaal Toneel' opgericht voor de 'spreiding van hoogstaand toneel'. Het was een unitair Belgische regeling, waarbij voor de Nederlandstalige afdeling de opdracht werd toevertrouwd aan de KNS te Antwerpen. De eerstkomende jaren zou het Nationaal Toneel uitbreiden. Het Regentsbesluit sprak van de mogelijkheid om een opleiding voor acteurs en technici te organiseren. Dat gebeurde in 1946, met de oprichting van de Studio van het Nationaal Toneel. In 1947 nam het Nationaal Toneel het Reizend Volkstheater (met zetel in Antwerpen) op, met als specifieke opdracht de kleinere plaatsen te bespelen. Vanaf 1948-1949 werd ook de Brusselse KVS ingeschakeld.
12 mei 1952: Koninklijk besluit
Het model van het Nationaal Toneel bleek weinig werkbaar. In 1952 werd bij Koninklijk Besluit een nieuwe regeling van kracht, die een nog korter leven beschoren was dan de vorige. Dat KB vertrok opnieuw vanuit een sterk unitair-Belgische inslag. Voor het Nederlandstalige luik kregen drie gezelschappen een specifieke opdracht. Het Nationaal Toneel werd verantwoordelijk voor 'toneel voor volksontwikkeling', de KNS voor 'letterkundig toneel' en de KVS voor het 'nieuw toneel'.
14 september 1954: Koninklijk besluit
Met het KB van 1954 wordt de unitaire piste verlaten, het is de eerste specifieke regeling voor het Nederlandstalige toneel. Het KB legde een aantal minimumnormen vast over het aantal te spelen voorstellingen, het aantal beroepsspelers en het aantal klassieke, hedendaagse en Vlaamse of Belgische producties. Het overwicht van de Antwerpse compagnies bleef behouden.
18 februari 1964: Koninklijk besluit
Om verschillende redenen kwam het KB van 1954 onder druk te staan. Te veel nieuwe gezelschappen (vooral de kamertheaters) bleven van overheidssteun verstoken, er ontstond een wanverhouding tussen stads- en staatssubsidies en tussen KNS-Nationaal Toneel en KVS Brussel. En Gent had geen stadsgezelschap meer.
De nieuwe regeling vertrok vanuit een cultuurpolitiek gericht op spreiding, democratisering en participatie en de noodzaak aan professionalisering. Opnieuw werden aan de erkende gezelschappen minimumnormen opgelegd voor het aantal te spelen voorstellingen en het aantal beroepspelers. Er waren ook verplichtingen ten opzichte van het repertoire. Met het oog op spreiding werd het plan opgevat een netwerk van culturele centra uit te bouwen. In 1972 openen de eerste culturele centra hun deuren (in Hasselt, Turnhout, Waregem en Etterbeek). Ook de oprichting van het NTG (in 1965) en het Groot Limburgs Toneel (in 1967) kaderden in de spreidingsgedachte. De kamergezelschappen werden erkend, maar dat betekende geen garantie voor een voldoende financiering.
1975: Theaterdecreet
In 1975 keurde de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap het theaterdecreet goed. Het stond nog steeds in het teken van de democratisering van de cultuur, een doelstelling die in 1962 geformuleerd was door Renaat van Elslande, de eerste minister voor Nederlandse cultuur (in een toen nog unitaire staatsstructuur). De uitbouw van de infrastructuur en het streven naar professionalisering werden nog steeds als belangrijke hefbomen gezien. De contestatie van 1968 leidde tot een groeiende aandacht voor het sociale statuut van de kunstenaar. De gezelschappen zelf werden ingedeeld in vier categorieën: repertoiregezelschappen, spreidingsgezelschappen, kamergezelschappen en gezelschappen voor experimenteel of vormingstoneel (respectievelijk de A-, B-, C- en D-gezelschappen genoemd). Elke categorie had zijn eigen subsidiëringsmodaliteiten. Er waren – anders dan in 1964 – geen inhoudelijke omschrijvingen meer van aard en omvang van het repertoire. Er waren wel puur kwantitatieve normen voor het aantal producties en voorstellingen en de zaalcapaciteit.
De jaren 1980: ad-hocregelingen
Na 1975 ging het budget voor theater sterk de hoogte in. Toch kon de overheid slechts beperkt tegemoetkomen aan de opkomst van nieuwe gezelschappen en de ontwikkeling van nieuwe subsectoren zoals de hedendaagse dans en het muziektheater. De vier categorieën van het theaterdecreet waren niet meer geschikt om het landschap te beschrijven. Al vrij vlug werd geconstateerd dat het theaterdecreet tot een vastgeroeste situatie leidde, maar pas in 1993 kwam er een podiumkunstendecreet tot stand. Intussen vond de nieuwe generatie podiumkunstenaars van de jaren 1980 geen plaats in de bestaande structuren. Slechts enkelen slaagden erin om een nieuw gezelschap te vormen en binnen het theaterdecreet gesubsidieerd te worden. De nieuwe generatie bouwde eigen structuren uit. Ze werd ondersteund door ad hoc subsidies en tussenkomsten via internationale kredieten.
17 januari 1993/ 18 mei 1999: Podiumkunstendecreet
Het podiumkunstendecreet uit 1993 was het eerste decreet dat naast het theater ook andere podiumkunsten erkende en subsidieerde. De oorspronkelijke bedoeling was een regeling voor alle podiumgenres te ontwikkelen, maar uiteindelijk kwamen er aparte hoofdstukken en budgetten voor theater, dans, muziektheater en kunstencentra. Het decreet was een belangrijke stap vooruit: niet alleen kregen de nieuwe genres kansen, verder werden een aantal beperkingen opgeheven en was het – door het installeren van een vierjarige 'structurele' subsidieperiode – voor organisaties ook mogelijk op langere termijn te denken. Daarnaast konden vzw's een aanvraag indienen om gesubsidieerd te worden voor eenmalige 'projecten'.
In 1999 werd aan het podiumkunstendecreet gesleuteld: naast enkele kleine wijzigingen zijn de 'festivals' een nieuwe categorie, ook wordt er voorzien in de erkenning van een sectoraal steunpunt (een functie die sinds januari 2001 naar het VTi gaat).
2 april 2004: Kunstendecreet
Het kunstendecreet van 2 april 2004 is een poging om tot een gezamenlijke regeling te komen voor de verschillende kunstendisciplines. Het is sterk gemodelleerd naar het podiumkunstendecreet. Op enkele punten houdt men rekening met de kritiek die er op dat podiumkunstendecreet bestond en zoekt men inspiratie bij de reglementen voor andere disciplines. Er zijn binnenkort meer mogelijkheden voor jongere gezelschappen en individuele podiumkunstenaars (de tweejaarlijkse enveloppe, individuele werkbeurzen). Er werden nieuwe werkvormen omschreven (werkplaatsen, publicaties, sociaal-artistieke en kunsteducatieve praktijken).
Joris Janssens
(verschenen in: Courant 70, nov.-dec. 2004)